parvo bij de hond

 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

Het honden parvo virus (CPV) is voor het eerst gezien in 1978 toen er een wijd verspreidde epidemie was bij honden van alle leeftijden. Omdat geen van de honden weerstand had opgebouwd (geen eerdere veldinfectie geweest en vaccinatie bestond nog niet) overleefden veel honden, jong en oud, de infectie niet. Het virus lijkt voor een groot gedeelte op het kattenziekte virus en de twee ziektes lijken ook veel op elkaar. Daarom wordt ook aangenomen dat het honden virus een mutatie is van die van het katten virus.

57612004S 

 

Ontstaan Parvo
De belangrijkste bron van het virus is de ontlasting van geïnfecteerde honden. De ontlasting van een geïnfecteerde hond kan een hele hoge concentratie hebben van virussen. Ook via speeksel, braaksel en andere vectoren zoals handen, schoenen en borstels, kan het virus worden overgebracht. Gevoelige dieren worden geïnfecteerd door het opnemen van het virus via de mond. Vervolgens beland het virus in de darmtractus waar het in de darmwand dringt en een ontsteking veroorzaakt. In tegenstelling tot andere virussen is het parvo virus erg stabiel in de omgeving en opgewassen tegen warmte, schoonmaakproducten en alcohol. Er zijn nog levend virussen ontdekt in honden ontlasting zelfs na 3 maanden bij kamer temperatuur. Vanwege zijn stabiliteit wordt het virus gemakkelijk overgebracht via haren of voeten van geïnfecteerde honden, gecontamineerde schoenen, kleding en
andere objecten. Direct contact tussen honden is dus niet noodzakelijk om het virus te doen verspreiden. Honden die besmet zijn geraakt met het virus en ziek worden zullen  gewoonlijk binnen 3-10 dagen klinische symptomen laten zien.

 

Symptomen van een Parvovirus infectie
Er zijn drie uitingsvormen van een Parvovirus infectie:

  1. Asymptomatisch – geen ziekteverschijnselen. In het algemeen bij honden ouder dan 1 jaar en gevaccineerde honden.
  2. Cardiaal – deze vorm komt veel minder voor dan de intestinale vorm doordat nu veel gevaccineerd wordt tegen parvo. Heftige ontsteking en necrose van de hartspier veroorzaakt ademhalingsproblemen en de dood bij jonge pups (jonger dan 3-4 weken leeftijd). Oudere honden die deze vorm overleven houden een blijvende beschadiging in de vorm van littekens aan de hartspier hieraan over.
  3. Intestinaal – deze vorm veroorzaakt ernstige schade aan het maagdarmkanaal. Het slijmvlies wordt dusdanig aangetast dat voedingsstoffen en vocht niet meer wordt opgenomen en het gemakkelijker bacteriën doorlaat. De meeste honden (85%) met deze vorm zijn jonger dan 1 jaar en tussen de 6-20 weken oud – dat is voor de leeftijd waarop het pup-vaccinatieschema is afgerond. Ongeveer 16-35% in deze groep honden overleeft de infectie niet.

Klinische verschijnselen van de intestinale vorm:

  • lusteloosheid
  • braken
  • gebrek aan eetlust
  • diarree – meestal bloederig met een vieze rotte geur ( karakteristieke parvo-geur)
  • invaginatie – als een deel van de ontstoken darm in een ander deel schuift. Dit is een spoedgeval!
  • koorts
Diagnose Parvo
De klinische tekenen van parvo is de eerste aanwijzing, maar er zijn meer oorzaken die braken en diarree kunnen veroorzaken. Een bevestiging van een parvovirus-infectie kan gebeuren door het aantonen van het virus in de ontlasting met behulp van een parvo test-kit of door detectie van antistoffen in het bloed. Een bijkomende diagnose is vaak een te laag gehalte in witte bloedcellen (leucopenie). De afwezigheid van leucopenie wil niet altijd zeggen dat de hond geen parvo-infectie kan hebben. Sommige honden die ziek worden laten niet op ieder moment een leucopenie zien.
 

Therapie bij Parvo
Er is geen therapie die, na infectie van de hond, het parvovirus kan doden. De ondersteunende bestaat uit het herstellen van de vochtbalans, het voorkomen van complicaties door bijkomende infecties en het tegen gaan van het braken en de diarree.
Deze therapie bevat onder andere:

 
  • elektrolieten-oplossing oraal 
  • subcutaan of intraveneuze infuus
  • medicatie tegen braken en misselijkheid
  • antibiotica om secundaire infecties tegen te gaan en septicaemie te voorkomen
  • bloed of plasma transfusie om eiwitverlies en bloedarmoede tegen te gaan en antilichamen toe te dienen
 

Veel puppies dienen voor een intensieve behandeling te worden opgenomen, meestal gedurende 4 – 5 dagen en soms langer. De eerste drie dagen zijn hierin het meest kritiek. Sommige rassen, zoals de Rottweiler, Doberman Pinscher, Duitse Herders, Pit Bulls, en Labrador Retrievers, schijnen een lagere overlevingskans te hebben dan andere rassen. Toy Poedels en Cockers schijnen juist minder gevoelig te zijn. Helaas is het nog steeds zo dat wel degelijk alle rassen deze ziekte kunnen krijgen en blijft het belangrijk de vaccinaties volgens het schema te blijven geven.

 

Preventie Parvo
Vaccinatie is de beste manier om honden te beschermen tegen parvo. Puppies krijgen de eerste vaccinatie op 6 weken leeftijd en deze wordt geboosterd op 9 en 12 weken leeftijd. Na de hervaccinatie op 1 jaar leeftijd moeten alle honden elke 3 jaar een herhalingsenting krijgen. Teven moeten voor een eventuele dekking worden gevaccineerd zodat ze haar antistoffen aan haar puppies kan doorgeven.

 
Hygiëne
De stabiliteit van het virus in de omgeving maakt het belangrijk om besmette oppervlakten goed te desinfecteren. Dit kan het best gedaan worden door de voederbak, waterbak en andere gecontamineerde voorwerpen te wassen met een oplossing van 4 chloortabletten op 10 liter water. Het is belangrijk om dit chloormiddel te gebruiken, omdat andere "virus dodende" desinfectantia het parvo virus niet zullen doden.

64271644S
 

Na een infectie bij pups jonger dan 6 weken
Pas als de pups helemaal hersteld zijn (gedurende minimaal 2 weken klachtenvrij) is het verstandig alsnog te vaccineren. Eerder vaccineren zou het veldvirus weer kunnen activeren.
Zonodig wordt pas op 10 weken leeftijd de eerste vaccinatie gegeven (het is belangrijk in ieder geval de hondeziekte 2x te geven (=boosteren)).
De teef kan tegelijkertijd met de pups gevaccineerd worden indien dat alsnog nodig is.

De omgeving is minimaal 1 jaar besmet. Alle honden die in die omgeving kunnen komen moeten gevaccineerd zijn. In de besmette omgeving moet al het mogelijke gedesïnfecteerd worden.

Alle kleding die in contact is geweest met zieke pups of hun omgeving dient goed te worden gewassen. Wat niet goed gewassen of gedesïnfecteerd kan worden dient te worden weggegooid. Gebruik geen hoge drukspuit aangezien de kleine waterdruppeltjes het virus nog verder kunnen verspreiden. Schrobben mag wel en daarna desïnfecteren met een oplossing van 4 chloortabletten op 10 liter water.
Vanwege de hoge resistentie van het parvovirus is het advies om minimaal gedurende 1 jaar niet te fokken na een besmetting.



contactgegevens

raadhuisstraat 25, 3603av maarssen
tel 0346 561426